Peternoster
'Het leven is een groot feest, maar je moet wel zelf de slingers hangen....'

Maandagmail


Over de foto en zo
11 mei 2020

Na het lezen van onderstaand vervolg op de maandagmail van vorige week kan ik zeggen dat we aan het einde van deze e-mail wél samen afgesproken hebben.
Maar daarna nooit meer; we kregen verkering zoals dat toen heette. En een goede kijker ziet dat op deze Boxmeerse kermisfoto natuurlijk meteen.
Afspreken vonden we dus niet meer nodig, het ging immers vanzelf. We zagen elkaar wekelijks en al snel werd Snor Tunnus aan de Noordkant in St. Anthonis onze vaste uitgaansbar.
En dat 'wekelijks' was natuurlijk ook maar van tijdelijke aard. Op woensdag werd al gauw genoeg de week 'doorgezaagd'. Hoe noemde men zo'n woensdag ook alweer?

Ook de toenmalige minister-president Joop den Uyl heeft onze verkering nog een helpend handje toegestoken: door de energiecrisis werd in 1973 de autoloze zondag ingevoerd.
En dat betekende op zaterdag naar Boxmeer en 's zondags na middernacht - op maandagmorgen dus - maar weer naar moeder thuis.
Een nieuwe werkweek stond weer voor de deur, maar de woensdag kwam al vlot weer in zicht.


'Gerrit, bedankt jongen!'

Beste mensen van ÉgeWies,

(wordt vervolgd)

Dat schreef ik vorige maandag in mijn e-mail naar jullie over mijn eerste ontmoeting met Maria.
Belofte maakt schuld, hoewel uit de rest van onderstaand verhaal blijkt dat dit vervolg niet zo vanzelfsprekend was….

Ik besef dat mijn maandagmails een behoorlijk inkijkje beginnen te geven in mijn en onze jeugd. Nou ja, het zij zo! We hebben er allebei geen moeite mee en ik zou oud en wijs genoeg moeten zijn om dingen die niet gelezen mogen worden ook niet op te schrijven.

Geniet en lees als je wilt nog een minuut of tien van het vervolg op die eerste ontmoeting!

En voor de rest nog een hoopvolle week!
Peter

Voor Gerrit

– – 13 mei 1973 – –
Toen nog onwetend van dat ontroerende versje van Toon Hermans, begreep ik de zondag daarop wat een echte vriend werkelijk is.
Precies om 7 uur ’s avonds stond Gerrit op die 13e mei aan de kant van de Handelseweg te wachten op mijn bordeauxrode Mini.
Keurig de haren gekamd; en dat was ik van Gerrit echt niet gewend.
Op deze moederdag van 1973 heeft hij net als ik de jaarlijkse bloemenhulde met gebak al vroeg achter zich gelaten.
‘Rij’en mar’, zei hij toen hij zich in de auto wurmde. Normaal en gemakkelijk instappen is in zo’n Morriske nou eenmaal onmogelijk.
Het was ook zo ongeveer het enige dat hij zei in de nog geen twintig minuten durende rit naar Sint Tunnis. En ook mijn eigen gedachten brachten mij niet echt aan het praten.

Wat had afgelopen week lang geduurd. Ik voelde me niet gerust… Zou ze naar Bos komen? Zou de bus uit Boxmeer er al zijn? We hadden immers totaal niks afgesproken. Waarom had ik dat niet gedaan? Stom! Erg stom!

In twintig minuten autorijden kun je veel prakkezeren. En alle spooksels die ik in mijn hoofd haalde waren dezelfde als die me in de voorbije week al veel uren slaaptekort opleverden.
Die hele week bleven de op hol geslagen paarden in mijn lijf hijgend doorhollen en geen Anky van Grunsven die ze zou kunnen temmen.
Was dat nou het teken van verliefdheid? Ik vroeg het me niet af; ik wist het zeker, maar een 21-jarige weet dat natuurlijk altijd heel stoer te verbergen. Ik niet…

Ruimschoots vóór half acht stiefelde ik achter Gerrit aan en ik deed mijn uiterste best om zo nonchalant mogelijk rond te kijken. Het was weer druk in Dancing Bos. En de dancing was toch echt niet klein. Daar kon ons uitgaanscentrum De Greef in Gemert een puntje aan zuigen.
Ik moest moeite doen om Gerrit te kunnen volgen, want ik vertrouwde erop dat hij feilloos de treetjes onder de diskjockey op zou zoeken. Geen idee vanuit welke hoek de muziek kwam. Gerrit wel! Hij stevende onvervaard vooruit.
Wie Gerrit kent die weet dat hij geen ruimte nodig heeft om vooruit te komen; Gerrit maakt zélf ruimte. Bij De Greef in Gemert gebeurde dat wekelijks, in de kerk in Handel heel soms en nu toonde Gerrit ook bij Bos in Sint Tunnis zijn vaardigheden.
We zagen het al gauw: het derde treetje onder de twee draaitafels met 45-toeren plaatjes was al bezet. Maar niet door haar en ook niet door haar vriendin.
Het voelde alsof de paarden in mijn lijf over wel vijf balken sprongen…

Gerrit kwam al aanlopen met een glaasje cola, terwijl ik nog in gedachten naar die derde tree staarde.
‘Ze komt nog wel. ’t Is nog vroeg!’ probeerde hij mij gerust te stellen. Vergeefse moeite. ‘Misschien zijn ze wel ergens op een andere plek omdat het hier vol is. Ik ga zoeken.’
Nou, zo vol is het toch ook niet, dacht ik. Het dansvloertje hier was nauwelijks bezet; de los-dans-paartjes moesten nog beginnen met hun verkering. Kijk maar! Daar komt al iemand aangelopen!
Doelbewust kwam een jongedame dichterbij. Vlot! Zonder te aarzelen! Zelfverzekerd! Mijn hemel; daar kon ik nog iets van leren.
Doelbewust  was ze, dat kon ik wel zien. En dat doel was ik! Mijn hemelse hemel!
En vlot, en zonder te aarzelen, en zelfverzekerd sprak ze me aan: 
‘Hoi. Ik ben Ank en ik meen je te herkennen. Jij bent toch onderwijzer in Wanroij, de dirigent van dat nieuwe jongerenkoor?’
Ik kon dat niet ontkennen, ook al zou ik dat willen. En eigenlijk wilde ik dat ook wel. Als dirigent had ik immers meer behoefte aan een paardenfluisteraar vanwege die vijf balken in mijn lijf, dan aan Terpsichore, hoe mooi die muze ook kon zingen en dansen.

Ank – vanwege de privacy is dit niet haar echte naam – kwam uit Wanroij en haar achternaam kwam me inderdaad bekend voor. Maar dat Ank meer dan 45 jaar later de zus zou zijn van leden van Gezelligheidskoor ÉgeWies, mijn tweede Wanroijse ‘jongerenkoor’, nee dat wist ik toen nog niet en had ik toen ook nooit kunnen bedenken.

Ank had muzikale interesse in mij en ze was een vlotte praatster.
Hoewel we op de dansvloer stonden was er geen sprake van iets van los-vast. Ank stelde gewoon vragen, de een na de ander.
Ze hield van gitaarspelen en was erg geïnteresseerd in de teksten en akkoorden van de liedjes die Terpsichore leerde.
Ik moest dit natuurlijk geweldig vinden en onder normale omstandigheden zou ik me ook erg gevleid voelen.
Maar dit waren geen normale omstandigheden. Niet voor mij.
Bij mij sprongen steeds meer paarden door mijn lijf. Het voelde als een hippisch springfestijn waarbij ik zelf als een volbloed te keer ging.

Ank merkt niks van mijn onrust. Dat dènk ik tenminste…
Maar die onrust springt op tilt als ik plotseling over Anks schouder kijk.
Daar staat ze!!!
Vanuit het niets kijkt ze vanuit haar ooghoeken naar mij en naar Ank.
Op anderhalve meter afstand staat ze daar. Alleen! En ik sta hier met Ank!

Mijn ogen springen op en neer van Ank naar haar en van haar naar Ank. De paarden in mijn lijf springen nog heftiger…
Heel overtuigend laat ze mij zien dat zij er is, zonder mij een blik waardig te gunnen. Nou ja, vanuit haar ooghoeken kijkt ze naar mij… en naar Ank. Vooral naar Ank…
Maar Ank heeft alleen aandacht voor Terpsichore en teksten van liedjes en ze vertelt en vraagt maar door en door en door.
En ik knik ja en ik schud nee en ik hoor absoluut niet wat ze zegt.
Ze weet dat ik haar gezien heb… Ik weet het zeker… Maar dan, na even draait ze zich om en loopt ze weg en verdwijnt ze tussen de overige discobezoekers.
‘Daar gaat ze…’

Ik probeer mijn vreemde gedrag naar Ank goed te praten en ons gesprek ook te gaan beëindigen. Het lukt me niet…
Gelukkig komt daar Gerrit weer uit de wijkende massa naar voren gewalst en dan neemt mijn hulp in grote nood zonder moeite het gesprek van Ank naar mij over.
Na de belofte dat ik ‘wel eens naar teksten zal zoeken’ verdwijnt ook Ank in de massa.

‘We gaan eens rondlopen’, zegt Gerrit nadat hij mijn gestotter aanhoorde. ‘We vinden ze wel!’
Tja, een beter idee dan dat van mijn vriend kon ik in deze omstandigheden niet bedenken. We zwerven de massa in, terwijl de diskjockey mij sarcastisch Demis Roussos in de oren slingert: ‘Goodbye my love goodbye’.
Waarom moest juist dit lied in 1973 zo’n hit zijn?

Wie Dancing Bos op zondagavond kent, die weet dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Maar wie Gerrit kent die weet dat hij zich zonder moeite een weg baant door elk discobos.
Ik kijk links en rechts en over Gerrits schouder. Maar niks… En drie, vier 45-toerenplaatjes verder nog steeds niks. Iedereen is er, maar haar zie ik niet meer…
Verdomme!

Hoe we ook zoeken, linksom of rechtsom, vóór of achter, onder of bovenop de treetjes: niks... Geen Maria. Geen vriendin.
Moedeloos drink ik samen met Gerrit een colaatje.
Na nog een zoektocht door het bos sta ik verloren te bedenken dat deze moeder-zondag van de dertiende mei 1973 niks te maken heeft met welke zonnige feestdag dan ook.
Het colaatje smaakt me niet meer en het springconcours in mijn lijf van de afgelopen week is helemaal gedaan. De paarden rusten! Over en uit!

Zover mogelijk wég van de andere discogangers stel ik Gerrit voor om naar huis te gaan. Het heeft voor mij geen zin meer… Ze is weg… Naar huis… Ze zag me samen met Ank en dacht: ‘Jongens zijn allemaal hetzelfde!’
Maar niet állemaal… Ik heb buiten Gerrit gerekend. Gerrit wil níet naar huis… Nóg niet.
‘Wij lopen allebei nog een half rondje!’ gebiedt hij. ‘Jij die kant uit en ik deze. En dan zien we elkaar bij de treetjes onder de diskjockey!’
Vooruit dan maar….. Het is nog vroeg! Maar de mensen zullen zich afvragen waarom ik toch zoveel rondjes loop.
Het maakt ook niet uit. Ik kom hier toch niet meer terug. Nooit meer, beloof ik mezelf.

Na ik weet niet hoeveel minuten zie ik boven de hoofden uit de koptelefoon van de diskjockey alweer, met alles wat er tussen geklemd zit.
Een paar meter verderop zie ik ook Gerrit alweer na vergeefse moeite aankomen van zijn zoektocht van een half rondje.
We kunnen naar huis. Terug naar moeder en haar Moederdag. Eindelijk!
Of toch maar niet?
We voelen allebei langzaam de teleurgestelde trek om onze mond veranderen in een gelukzalige verwondering als we in onze ooghoeken plotseling, op het eerste treetje onder de diskjockey, ineens en tegelijk haar verschijning zien:
Maria!! Daar staat Maria! Een glimlach straalt van haar gezicht naar mij toe.

Dankzij de vasthoudendheid van Gerrit lijkt het dat een wonder voor mij geschiedt en voel ik dat de paarden in mijn lijf zich gereedmaken voor de volgende barrage.

– – 11 mei 2020 – –
Nadat Maria mij die avond langdurig zag praten met Ank, is zij met haar vriendin naar die andere discotheek gegaan, de Sunshinecorner, aan de overkant van de weg.
Later op de avond kwam zij terug in Dancing Bos, waar zij plotseling en niet verwacht Gerrit en mij al zoekend zag naderen.
Met zijn tweeën zijn we daarna nog even teruggegaan naar de Sunshinecorner.
Daar vertelde ze me onder meer dat ze vóór middernacht graag thuis wilde zijn, zodat haar ouders haar nog konden feliciteren met haar verjaardag op maandag.
De bus zou gauw vertrekken, zei ze. Véél te gauw…
Maar op die bus hebben wij die moederdag-avond niet meer gewacht.
Ze stapte in de Mini en liet zich thuis in Boxmeer voor de deur afzetten. In míjn bordeauxrode Mini!
Instappen ging niet makkelijk, maar ook het uitstappen duurde erg lang…

Het was middernacht voorbij toen ik wegreed om Gerrit op te halen.
Ik vergat haar te feliciteren met haar verjaardag…

Nawoord
Nog steeds denk ik vaak terug aan dat rijmpje van Toon:
‘Als je iemand hebt die met je huilt en grient, dan pas kun je zeggen: Ik heb een vriend!’

Gerrit, bedankt jongen!!