Peternoster
'Het leven is een groot feest, maar je moet wel zelf de slingers hangen....'

Maandagmail


Over de foto en zo
28 september 2020

Het huisje waar mijn opa opgroeide staat nog steeds op de Verrehei, aan de rand van de Handelse Bergen.

Het zal ongetwijfeld door de jaren heen aangepast zijn naar de wensen van de huidige bewoners. Toch heeft de computer mij de mogelijkheid gegeven om een foto van mijn overgrootmoeder Antonia af te beelden op een stoel voor haar eigen huis.
Ze zou eens moeten weten dat de wereld rondom haar, na veel meer dan een eeuw, zoveel groter geworden is...


Het huisje op de hei

Beste mensen van ÉgeWies,

Ik was altijd heel blij als mijn moeder mijn schoenen ging poetsen…
Je kent het natuurlijk nog wel, dat Erdal schoenpoetsdoosje met zo’n pelikaanvogel erop afgebeeld. Een blikken, rond en plat gevalletje met aan de zijkant zo’n vlinderachtig draaiding om het dekseltje eraf te wippen.
Ik mocht, nee, ik moest mijn schoenen zelf ook wel eens poetsen, maar volgens mijn moeder klodderde ik teveel met de bruine poets. Zwarte schoenen had ik immers niet en met blauwe werd je voor een meisje of - nog erger - voor een peuter aangezien.
Gelukkig ziet niemand mij tegenwoordig meer als een peuter; ik draag nu graag en vaak mijn blauwe en ongepoetste sneakers.
Maar dat klodderen met die schoenpoets deed ik soms ook wel eens met opzet.
Ik wilde niks liever dan dat het blikken schoenpoetsdoosje snel leeg was. Helemaal ópgepoetst, want dan kon ik het gebruiken voor mijn crossfiets.

Die crossfiets was niets anders dan de oude meisjesfiets van mijn nog oudere zus, waarvan ik het zadel af gesleuteld had. Kettingkast en jasbeschermers weggegooid. Vóór- en achterlicht en een zware dynamo waren ook onnodig. Achterspatbord eraf en het voorspatbord gedeeltelijk afgezaagd. Tot slot nog een oude juten zak op de pakkendrager gebonden en ik kon zitten en crossen als een echte motorcrosser.
Maar de motor op mijn motor ontbrak, tot het moment dat ik mijn schoenen weer zo vaak geklodderpoetst had en het doosje leeg was. Het doosje werd dan de motor op de oude meisjesfiets van mijn zus!
Mijn moeder moest mij daarvoor drie houten wasknijpers cadeau doen en nog twee van die tomatenrode, elastische weck-ringen. Je had vierkante en platte ringen. Ik wilde de platte! Een stuk vliegertouw van 1,5 meter (daar is-ie weer; toen al!) vond ik in de schuur van mijn vader.
Met de weck-ringen werden twee wasknijpers aan de onderkant van het doosje vastgeklemd, zodat het op een van de twee pootjes van het voorspatbord geknepen kon worden. Dan nog een halve wasknijper bovenop het doosje en die moest dan net de spaken van het wiel kunnen aanraken. Het vliegertouw eraan geknoopt als een soort gashendel door het andere einde aan het stuur te binden. Klepperen maar! Brmmm

En dat deed ik. Ik klepperde urenlang door de Handelse Bergen over de zandruggen, samen met leeftijdgenoten die ook hun schoenen flink gepoetst hadden. Ik voelde me Broer Dirkx met nummer H12 of die Helmonder, Jan Clijnk, met H3.
Mocht ik vandaag nog mijn schoenen op die manier klodderpoetsen, dan zou ik me minstens ene Jeffrey Herlings voelen, onze Plôsse, maar onlangs flink gestuiterde wereldkampioen… Geen idee welk H-nummer Jeffrey op zijn 450 cc-motor heeft.
En met diezelfde oude meisjesfiets van mijn nog oudere zus werd ik in diezelfde Handelse Bergen kampioen in een crosswedstrijd rondom de legendarische Mariaboom tussen schoenpoetsers uit Handel én uit Boekel.
Ik voelde me alweer ene Broer en ene Jan tegelijk. De overwinningsbeker ligt nog altijd thuis op zolder - in de buurt van die elpee van Ann Murray - en telkens weer als ik de zoldertrap omhoog ga, dan voel ik me nog steeds die ene Jeffrey Herlings

De liefde voor de meisjesfiets van mijn oudere zus had mijn belangstelling voor de racefiets gewekt.
De ene hobby zorgde voor het begin van een andere. En dat ging bij mij maar door en door… Die racefiets was reden om kort nadien mijn naam in die bewuste boom tussen Baexem en Grathem te krassen. Weet je nog?
De liefde voor die boomstam was ook geboren, want ik kwam daar jaren nadien nog vaker terug om te kijken.
En die boomstam zorgde weer voor een volgende hobby. Ik ben er nog ondersteboven van. Letterlijk! Immers de hobby ‘boomstammen van hout’ keerde zich om in ‘stambomen Van Hout’! Het zoeken naar mijn afkomst, naar mijn voorouders, want ik had al eens horen fluisteren dat dit niet zo gemakkelijk lag bij mijn familie, die ik nog amper kende. En het was er niet altijd rozengeur en maneschijn, zoals het natuurlijk ook nergens is.

Mijn zus, je weet wel van die meisjesfiets, bracht mij afgelopen week een stuk of tien bidprentjes met voor mij bijna allemaal onbekende namen.
‘Zoek eens uit wie dat zijn!’, zei ze mij. En als je oudere zus dat opdraagt, dan doe je dat.
Het internet heeft me al jaren geholpen met het zoeken naar voorouders en afstamming. Uren heb ik zitten turen naar het scherm van mijn computer en geboorte-, huwelijks- en overlijdensaktes gevonden uit vorige eeuwen. Dus die paar uren voor mijn zus, afgelopen week, die konden daar nog wel bij.

Ik heb mijn grootouders helaas nooit gekend. Wat ik van ze weet heb ik van een paar foto’s, via verhalen van mijn ouders en het urenlange turen naar mijn computerscherm.
Aan de rand van de Handelse Bergen woonde daar rond 1850 Tien van Hout met zijn vrouw Hanna. In een klein huisje aan de rand van het bos met de opgewaaide zandruggen in een buurtschap die de naam ‘Verrehei’ heeft meegekregen. Tien overleed op jonge leeftijd en Hanna bleef achter met twee opgroeiende dochters.
Voor een vrouw alleen was het heel moeilijk om voor het dagelijks brood te zorgen. Zeker in die tijd. Drie jaar later deed zich voor haar de kans voor om te trouwen met de tien jaar jongere Goort. Godefridus Herlings
Het leven van Hanna en haar twee dochters, en Goort, ging verder in dat kleine huisje op de Verrehei aan de rand van de Handelse Bergen. Ver weg van de dorpen Gemert en Boekel. En ook van Handel als je weet dat de benenwagen eigenlijk het enige vervoermiddel was. De Verrehei heeft die naam kennelijk niet voor niks gekregen. Hoewel? Ver? Níet voor iedereen. Want Tonia, de oudste dochter van Hanna, werd zwanger… Zesentwintig jaar oud is mooi, maar toch… In 1871 werd zoontje Jan geboren. ‘DNA onbekend’; en de vader ook…
In de geboorteakte kreeg baby Jan, door het ontbreken van een vader, de achternaam van zijn ongehuwde moeder mee: Johannes van Hout; míjn opa!

Dat alles, dat verhaal, verklaart mijn nu al jarenlange zoektocht naar de ‘stambomen Van Hout’ enhet urenlange turen naar het scherm van mijn computer.
Ik heb al pagina’s vol geschreven met antwoorden op mijn eigen vragen: ‘Wie was het? Waar kan ik antwoorden vinden? Wat is er gebeurd in dat kleine huisje op de Verrehei aan de rand van de Handelse Bergen?’

Mijn zoektocht heeft mij op vele vragen antwoorden gegeven, maar ook op vele dus (nog) niet.
Na de geboorte van mijn opa ging zijn moeder Tonia trouwen met een veel oudere weduwnaar, Petrus Martinali. En mijn opa kreeg er daarna nog meerdere halfbroers en halfzusjes bij.
En één opmerkelijk feit moeten jullie weten: Eén van de halfbroers van mijn opa, Thijske, was de grootvader van Piet… En de meesten van jullie kennen Piet zeker: Piet Reijnders, onze voormalige en begenadigde accordeonist van ÉgeWies!
En nog een ander feit dat ik jullie al eens vertelde. Ons égewies Gemertse lid Marian heette vóór haar huwelijk met Wiljan, gewoon net als ik: ‘Van Hout’.
Vijf generaties terug, zo rond 1800, vinden wij onze gezamenlijke ‘oudvader’ Antonius. Mooi toch!

Veel geduld, zoeken en lang turen op een computerscherm lonen werkelijk, maar geven (nog) geen antwoord op wat er in dat kleine huisje op de Verrehei gebeurde.
Ik heb daardoor wel een andere stamboom laten groeien, op zoek naar de nakomelingen van die Goort Herlings, die er met de moeder van mijn opa zomaar een stiefdochter bij kreeg toen hij trouwde met de tien jaar oudere Hanna.
Zou het kunnen zijn dat die Goort misschien…..??

Goort heeft vele nakomelingen gekregen van de enige zoon van hemzelf en Hanna samen. Velen die de naam Herlings dragen.  En de mogelijkheid is groot, levensgroot zelfs, dat de wereldkampioen motorcross, Plôsse Jeffrey, als een motor crossende appel niet ver van de stamboom van míjn opa is gevallen.
Het verklaart in elk geval wel ons beider liefde voor het crossen. Jeffrey op zijn 450 cc crossmotor en ik met mijn schoongepoetst schoendoosje op de oude meisjesfiets van mijn nog oudere zus, die van de bidprentjes van afgelopen week.

Tot wèrus!

Peter