Peternoster
'Het leven is een groot feest, maar je moet wel zelf de slingers hangen....'

Maandagmail


Over de foto en zo
12 oktober 2020

De St. Jozef van Calasanz' School in Handel.
Joseph Calasanz was een Spaanse priester die meer dan vierhonderd jaar eerder leefde dan de afbeelding van het rapport hiernaast oud is. Joseph Calasanz richtte een aantal scholen op voor kansarme kinderen. Gelukkig kwam er ook eentje in mijn geboorte- en opgroeidorp Handel. Recht tegenover de R.K. Kerk Maria Tenhemelopneming. Dat kan geen toeval zijn!

De foto hiernaast geeft een paar fragmenten weer uit mijn lagere school rapport van de school: de voorkant en een gedeelte van de binnenkant met adviezen voor de ouders van de leerlingen.
En als de ouders, maar veel meer nog de leerling, daaraan voldoen, dan is het verdienen van een '10 voor gedrag' niet onmogelijk.

Toch was mijn misdienaarstijd niet enkel een periode van godsdienstige gehoorzaamheid, maar evengoed een van streken vol ondeugd, die horen bij de leeftijd van 'de grote jongens' van de school.


Privileges van een misdienaar

Beste mensen van ÉgeWies,

‘Waarmee zal ik maandag eens mijn ontluikende égewieze gewoonte in stand houden en mijn maandagmail gaan vullen?’
Dat is waar ik afgelopen week vaker aan gedacht heb.
Meestal, hoewel niet altijd, krijg ik in de loop van de week wel een ingeving. Maar afgelopen week: nul komma, nul. Geen Vanessa op tv, niets van dat opgevulde. Terwijl het kijken naar dat levend schilderij bij ons in de huiskamer (ik bedoel niet Vanessa, maar de tv) me soms wel inspiratie brengt. Ik had trouwens afgelopen week te weinig tijd om naar de tv te kijken. Veel te weinig tijd eigenlijk voor een doorgewinterde pensionado. Zelfs op zondag-rustdag had ik geen tijd. Onze zoon in Rotterdam wilde nieuwe gordijnen ophangen en op maat laten maken. Omzomen, zodat de vloer niet geraakt wordt. En dat moest Maria doen, zodoende had ík dus geen tijd…

Maar afgelopen zaterdag wist ik het toen ik mezelf bekeek. Ik stond door het douchescherm te kijken naar de spiegel aan de overkant, waarin ik mijzelf wazig en bedruppeld zag staan. Maar dat was meer dan voldoende om mezelf toch te herkennen aan de overkant. Met de shampoo vlokken in mijn haren – gelukkig heb ik die nog – keek ik door dat douchescherm heen en mijn gedachten sloegen op hol. Behoorlijk verward zelfs, want hoe had ik ooit kunnen bedenken dat dit douchescherm me via de tandarts zou terugbrengen naar mijn allervroegste zestiger jaren.

Tandarts is eigenlijk niet juist, dat moet ik toegeven.
Maria en ik gaan al tientallen jaren met grote regelmaat naar de Nijmeegse parodontoloog voor het grote onderhoud van ons gebit, zodat het niet te gauw aftands wordt. Je hebt het immers dagelijks intensief in gebruik. Zeker als je aan geen enkel dieet doet, zoals ik. En zo'n parodontoloog zorgt daar met grote zorg voor; een soort APK-aak dus.
En veertien dagen geleden was het weer tijd voor één van onze driejaarlijkse bezoeken.
Ik ga er graag naartoe, echt, want de parodontoloog heeft een groot aantal zeer bevallige assistentes in dienst die zich met veel plezier staan te vergapen naar mijn gapende mond.
Hoewel bevallig? Sinds dat de freule in ons land tiert, heb ik al twee keer geen enkele bevallige assistente meer gezien. Ze zijn immers verscholen achter een goed sluitend mond-neuskapje met daarvoor nog zo’n groot plastic glazen gezichtsscherm.
En met zo’n scherm begon het al in de wachtruimte van dokter Parodontitis: losstaande tweepersoons tafeltjes in een lange rij met midden op elk tafeltje een groot plastic glazen scherm, zeg maar douchescherm. We keken elkaar beschermend aan en af en toe draaide ik mijn hoofd linksom naar een mevrouw van twee tafeltjes verder. Oók achter een scherm.
‘Net of we in een biechtstoel zitten’, zei Maria tegen mij. En dat was heel duidelijk een aanleiding voor de mevrouw van twee tafeltjes verder om meer te weten te komen over het biechten en onze biechtgeheimen van vroeger. Ze had ook duidelijk geen katholieke opvoeding gehad, maar uit alles bleek dat haar belangstelling erg groot was. Ze wilde alles weten… Of is het dan toch nieuwsgierigheid? Dat heeft ze ons niet opgebiecht.
Haar nieuwsgierigheid eindigde sprakeloos en abrupt toen de bevallige Benita – ik herkende haar nog van vóór de freule – mij kwam halen voor de APK-aak.

En afgelopen zaterdag nu moest ik door mijn bedruppelde douchescherm denken aan dat plastic glazen scherm bij de parodont, aan de mevrouw zonder katholieke opvoeding en aan alle nieuws wekkende biechtgeheimen van mijn tijd als misdienaar in de allervroegste jaren zestig van de vorige eeuw.

 

Jan klopte op het raam. Statig in pak met stropdasje om en goed geknoopt, hoewel het warm en al bijna zomer was.
‘Mister! De köster…!’
Wij mochten geen Jan zeggen. Jan was koster en een koster noem je ‘koster’ met respect en zonder een spoortje van dialect, hoe mooi dat dit ook is. Ondoenlijk ook!
Alle ijverige Handelse kopjes van de vierde klas draaiden naar links om door het raam(scherm) heen te kijken. De niet ijverige kopjes die draaiden niet. Zij stonden al linksom geparkeerd; dat van mij dus ook.
Achter het raam wenkte de koster naar meester Smeets of hij even binnen mocht komen. Natuurlijk mocht dat, want de koster kwam vragen aan de jongens of zij soms na de ‘grote’ vakantie misdienaar wilden worden.
Aan de meisjes werd niets gevraagd; misdienstertjes bestonden toen immers nog niet. Als je jongen was dan kon je misdienaar worden, en anders niet. En het was niet anders.
Ik was jongen en ik was 10 jaar en ik was (op dat moment) even niet geïnteresseerd in meisjes en ik was dus al bijna misdienaar door alleen mijn vinger op te steken.

Als je in de vijfde klas kwam dan kreeg je als jongen privileges, hoewel ik absoluut niet wist wat dat woord betekende.
En door je als misdienaar al vóór de zomervakantie aan te melden kreeg je extra privileges: je mocht immers drie zomervakanties op rij mee op misdienaars reis in plaats van twee keer. Sterker nog: je mocht dan al op misdienaars reis voordat je één mis ‘gediend’ had. En dat was al heel gauw, want de grote vakantie zou net als ‘de köster’ gauw op het raam komen kloppen.

Na de grote vakantie zouden de voordelen voor mij als misdienaar zich opstapelen.
Ik zou in de vijfde klas terechtkomen met alleen jongens, ook die van de zesde klas. De meisjes werden veroordeeld tot een klaslokaal aan de achterzijde van de school, waar nooit een koster of wie dan ook ooit op het raam zou kloppen. ‘Net goed!’
Ik zag al die voordelen van een misdienaar heel duidelijk voor me:
‘Jan’ zou heel vaak op het raam kloppen en dan mochten één of twee van de jongens gaan ‘misdienen’, bijvoorbeeld als er weer eens een processie kwam in het dorp. En dat kwam nog wel eens voor. Of als er iemand trouwde of als er een begrafenis was.
Nog leuker was het om met de lange stok en de geldbuidel eraan bij de kerkbezoekers om centen, stuivers en dubbeltjes en heel soms om een kwartje te smeken door ze alleen maar die stok voor de neus te houden. Met die geldbuidel eraan. En iedereen deed dan wel een duit in het zakje. Toen nog wel…

Meestal kwam de koster al vroeg in morgen als een mannetjes roodborstje met colbertje en stropdasje om op het raam van de klas tikken. Altijd als de klas zat te rekenen. En ik kon goed rekenen. Toen nog wel…
Maar ook een groot voordeel zag ik de ‘10’ op het rapport, dat driemaal per jaar kwam. Een ‘10 voor gedrag’. En die ‘10 voor gedrag’ die gaf meester Weerts - het hoofd van de school - als je elke week minstens vier of vijf keer naar de kerk ging, naar de mis van 7 of die van 8 uur ’s morgens. En misdienaars gaan vaak naar de kerk. Dus ‘Mister Wirts’ kon vaak streepjes zetten achter je naam in zijn rapport notitieboekje.

De privileges als misdienaar in de vijfde en zesde klas bij ‘Mister Wirts’ waren eindeloos. Iedereen die een ’10 voor gedrag’ op zijn rapport kreeg werd gehuldigd en kreeg van de ‘mister’ een doosje Wasco. Een dubbele doos zelfs met twee keer zes dikke wascokrijten erin! Zo eentje die je als een boek moest openslaan! Wat een beloning! Voor zo’n doos zou je een moord doen! Maar nee, in dat geval kreeg je toch zeker geen 10 voor goed gedrag…
Bij iets minder slecht gedrag zette de meester al wel eens een streepje achter je naam in zijn rapport notitieboekje. Wég 10 en wég Wasco. En thuis uitleggen waarom die ’10 voor gedrag’ geen 10 was…

Toch wogen de vóórdelen van misdienaar zijn ver op tegen de nádelen en ik stak mijn vinger dus maar op toen ‘de köster’ op het raam van de vierde klas klopte en aan alle jongens vroeg: ‘Wie van de jongens wil er straks in de vijfde en zesde klas misdienaar zijn?’
Grace de la Croix, een meisje dat in de bank achter mij zat en kort geleden vanuit een ver land in onze klas kwam, keek me beteuterd aan. Ze zou met de vertaling van haar Franse naam als eerste meisjesachtige misdienaar niet misstaan.
Ik zag het echter niet en hoorde en begreep het pas veel later toen ik te laat en beteuterd achterbleef met een briefje in mijn hand met haar nieuwe adres! In Den Haag. Voor mij het onbereikbare einde van de wereld…

‘Ik!!
Ik word misdienaar en ik kreeg van de koster een vel papier met twee gebedjes erop. In het Latijn! Het was mijn toelatingsexamen!
De week erop, vlak vóór de grote vakantie, zou ik het voor de luisterende pastoor moeten opzeggen. Bij pastoor Brekelmans in de ‘goei kamer’ van de pastorie naast de kerk: het ‘Suscipiat’ en het ‘Confiteor’!
Ik slaagde met mijn Latijns gebrabbel cum laude en ik wás misdienaar en ik mócht mee op misdienaars reis. Naar de Mariagrot in Katwijk uitrusten, om daarna met de pont de Maas over te steken en met de fiets verder te ploeteren naar de Mookse berg… Inclusief hardloopwedstrijd om drie noten!

En die ’10 voor gedrag’ en die dubbele doos Wasco dan?
Oei, dat zal een heel ander verhaal worden. En dat van Grace de la Croix ook…

Tot wèrus!
Peter