Peternoster
'Het leven is een groot feest, maar je moet wel zelf de slingers hangen....'

Maandagmail


Over de foto en zo
18 januari 2021

In vele van mijn maandagmails schrijf ik over mijn hobby's, over dingen die mij interesseren of beroeren. De titel van deze maandagmail geeft daar een voortreffelijk voorbeeld van.
Fietsen, wielrennen in het bijzonder, heeft me van jongs af aan geïnteresseerd. Mijn tot crossfiets omgebouwde rijwiel van mijn zus, mijn eerste zelfgebouwde racefiets, wielerwedstrijden om naar te kijken, maar ook om zelf te rijden, mijn fietsvakanties met Gerrit, maar niet minder die met 'mijn' Maria. Geweldig!

Het verhaal van vandaag is er een met een aanloop naar waar ik echt van houd, veel meer nog dan van mijn 'gefiets': mijn vader, mijn moeder, 'mijn' Maria en alles wat zij mij brachten.

En ook wil ik graag kwijt wat je zo nu en dan wel ziet in grote romans of speelfilms:
'Dit boek of deze film is gebaseerd op de werkelijkheid'.
In mijn geval moet ik daaraan toevoegen: 'op een hele grote werkelijkheid!
'


door de jaren gefietst

Beste mensen van ÉgeWies,

Volgens het Brabants Dagblad werd de langste wielermarathon van Nederland voor niet-wielrenners 300 kilometer in 91 rondjes van 3300 meter lang gewonnen in een nieuwe Nederlandse recordtijd! De winnaar van de fietswedstrijd was een 22-jarige onderwijzer uit Handel, die zich middels een fietstocht op en neer naar en door Schotland had voorbereid op deze jaarlijks gehouden uitputtingsslag in de Macharense polder bij Oss.

Het was zaterdag 4 augustus 1973

Mijn vader, die toen bij de finish naar de wedstrijd keek, straalde drie weken later nog van zichtbare trots.

‘Ons vrouw’ – dit vanwege de regelmatig voorkomende Maria’s in mijn maandagmails en ook vanwege het Brabantse karakter van deze mail – heeft meer dan eens gezegd, dat ik op de fiets geboren ben en zij zelf slechts met de wandelschoenen aan.

Dat van die fiets zal mijn moeder ongetwijfeld ontkend hebben, want zij kon het weten. Over die wandelschoenen kan ik niet oordelen. Ik kende op die vierde augustus van dat jaar ‘ons vrouw’ nog maar een paar weekeinden, waarin we echt niet over wandelschoenen praatten. Ik denk dat jullie dit wel begrijpen.

Wat mij sinds het lezen van dat Brabants Dagblad nog wel altijd ontroert was het trotse gezicht van mijn doorgaans letterlijk en figuurlijk heel nuchtere vader.

Over 1990 en over 1991

Zeventien jaren later – ik kon toen op 39-jarige leeftijd met recht spreken van ‘mijn’ Maria – spookte het maandenlang door mijn hoofd.

En het bleef niet bij spoken; ik vertelde het aan iedereen die het wél, maar ook níet wilde horen: op 40-jarige leeftijd zou ik nog ‘hendig’ met de fiets binnen 24 uur tijds van Parijs naar Wanroij kunnen fietsen!

Bijna 500 kilometer binnen één dag, zonder nachtrust??

Het werd niet geloofd en de 12-jarige Rosie geloofde er zelfs geen bárst van. Zoiets zou een in haar ogen ‘ouwe man’ niet kunnen… Er werd zelfs om gewed! Een bos bloemen was de inzet!

Het was in datzelfde jaar 1990, dat de parochianen van Wanroij en in het bijzonder pastoor Weersink, vonden dat de kerk met toren en al van nieuwe leien moest worden voorzien. En daarvoor moest geld op de tafel in de sacristie komen. Veel geld…

Ik werd gevraagd om zitting te nemen in een speciaal comité, dat ideeën moest bedenken om die bewuste tafel te laten kraken onder de stuivers, dubbeltjes, kwartjes, guldens en rijksdaalders.

Natuurlijk moest deze laatste en zwaarste verdwenen munt voor het overgewicht gaan zorgen. En… o ja, ook het nog vrij nieuwe vijf gulden muntje mocht ook gewichtig zwaar zijn best doen.

En daar zou ik mee kunnen helpen, vond de pastoor. Waarschijnlijk dacht onze parochieherder: ‘Hij komt uit het Handelse Mekka van de bedevaart; die gelooft er wel in…!’

In die commissie werden ideeën geboren. Het een na het ander. Ik bedacht een slogan voor de vele acties die er moesten komen: ‘Een toren in het oog’! Met een kwinkslag naar het bijna gelijk klinkende spreekwoord en met als uitleg, dat de kerktoren met al die versleten leien bij iedereen ‘een doorn in het oog’ was.

Ook binnen die commissie dacht ik hardop aan mijn fiets voornemen op 40-jarige leeftijd en aan de bos bloemen van Rosie voor die ‘ouwe man’.

Het idee werd geboren om van mijn fiets voornemen een sponsortocht te organiseren: Een fietstocht van de Parijse Eiffeltoren, via ons Belgische ‘zusterdorp’ Waanrode, naar de Wanroijse Corneliustoren. En dat allemaal per 'foekfiets' binnen 24 uur.

Sponsoren (en die kwamen er vele!) werden opgetrommeld en zij zorgden voor de leien op het torendak, zonder de tafel in de sacristie ook maar iets door te laten zakken: het was immers enkel papiergeld!

De beminde gelovige parochianen konden tegen betaling meedoen aan een gok wedstrijdje: Hoeveel kilometer zou er op de fiets kilometerteller van fietsenmaker Thijs Hendriks staan na aankomst bij de Corneliustoren in Wanroij; een aankomst die gepland was op het grootse jaarlijkse zomerfeest en braderie, dat elk jaar door honderden en honderden wel- en niet-parochianen bezocht werd. Het ‘Wanroijs Gedoe’!

Degene die de werkelijke afstand, of het dichts daarbij, wist te raden, kreeg voor twee personen een busreis aangeboden naar de aankomst van de Tour de France op de Parijse Champs-Élysées.

Het zou volgens plan een geweldig en bijzonder ‘Wanroijs Gedoe’ worden in de avonduren van die doordeweekse juli zomervakantiedag van 1991.

En dat plan werd al gauw bekend; het lekte uit… En dat bracht ene Has P. (momenteel een gewaardeerd ÉgeWies lid) ertoe om bij mij eens te informeren.

Has had wel oren naar dat voornemen en hij zou zijn voetbalcarrière graag willen inruilen voor die van de racefiets. Kortom: Has wilde meefietsen. Hij was dan ook nog geen veertig jaar…

Vanaf dat moment gingen we samen trainen en alles regelen om van mijn voornemen een geslaagde actie te maken en de kerktoren van vele vierkante meters lei te kunnen voorzien.

Deze tijd van voorbereiding waren mooie uren, dagen, weken en maanden. Teveel om deze maandagmail te vullen, maar ook te mooi om te vergeten. Has kan er uren over vertellen, méér dan ik ooit zal kunnen schrijven…

Het is in de late avondschemering van dinsdag 23 juli 1991

Het ‘Wanroijs Gedoe’ loopt óver van de aanwezige bezoekers: parochianen, niet-parochianen, bemind en niet bemind en vakantievierders van de Wanroijse camping op ‘De Bergen’. Iedereen was op de been op slechts een paar fietsers na.

De activiteiten van het ‘Gedoe’ stoppen en alle mensen benen samen op het plein achter de kerk. Zelfs vanuit de open deur van Café Giesbers komen gasten licht lallend dichterbij.

En dan laat een autoclaxon zich toeterend horen. Negen jonge mensen en één ‘ouwe man’ arriveren fietsend achter een luidruchtig blèrende Mercedes, met daar weer achter de camper van drukker Willem van de Broek! Door het camperraampje lacht het gezicht van de masseur, voedingsdeskundige, verzorger, adviseur, fietsenmaker, regelaar, alleskunner: Gerrit! Ja hoor, hij alweer.

Pastoor Weersink krijgt een microfoon in de handen gedrukt en hij toont zichtbaar verheugd een cheque met daarop een bedrag geschreven van 15.300 gulden (en dat later nog zal groeien tot ver over de 20.000 florijnen). Hij wijst naar Cornelius met de versleten leien, die achter hem staat.

Het volk sluit zich in een grote kring rondom de acht fietsende Raddraaiers-in-oprichting, die Has en de ‘ouwe man’ van veertig, vanaf de Belgisch-Franse grens 200 kilometer begeleid hebben.

Wethouder Van den Broek – zeg maar Albert – krijgt een gratis busreis voor twee personen naar de Tour de France aankomst op de Champs-Élysées, vijf dagen later. Hij heeft de 466 fiets kilometers tussen de Eiffeltoren en de Corneliustoren juist geraden.

De inmiddels 13-jarige tiener Rosie overhandigt een grote bos bloemen en een vette kus aan die man van veertig.
Het applaus klinkt heftig rondom de inmiddels vergeten vermoeidheid van de fietsers.
De open deur van Café Giesbers lonkt…

Mijn inmiddels flink dementerende moeder staat met ‘mijn’ Maria vooraan in de kring en applaudisseert flink mee. Lichtelijk verdwaasd, niet begrijpend, maar trots vraagt zij aan Maria:
‘Zijn al die mensen hier alleen voor onze Peter gekomen?’

Maria kijkt even rond en glimlacht en jokt, wetend dat het niet waar is:
‘Ja mam, die zijn allemaal voor jullie Peter gekomen…’

Wat mij sindsdien ook nog altijd ontroert is haar gezicht, dat ik zie als ze twee weken later thuis in Handel – hoe vergeetachtig dan ook – nog steeds vol trots vertelt over haar jongste kind. Haar zoon…

Van vóór de meimaand in 1951

Mijn moeder was zwanger van mij. Nagenoeg uitgerekend!
Na eerder bevallen te zijn van een dochter en twee zoons hoopte ze op alweer een dochter. Een meisje; dat was haar grote wens.

In die tijd was dat gewoon afwachten natuurlijk en ook met een jongetje zou ze heel erg blij zijn. ‘Dan is ut ók goed!’, zou ze gezegd hebben.
Zo gaat dat immers met antwoorden op vragen, die in die richting gesteld worden. Zo is dat nu, maar zo was het vroeger dus ook.

Maar ik zou zeker geboren worden in de maand mei én… in Handel.
Handel onder de rook van de ‘rômfebriek’ in Gemert.
Handel van het beroemde houten Mariabeeldje, dat volgens één van de overleveringen gevonden werd door een herder, ergens in een boom. Was het de ‘Mariaboom’ misschien…?

Natuurlijk zijn er sinds die grijze oudheid meerdere overleveringen ontstaan en over Handel verspreid en al die verhalen maakten van dat kleine dorp Handel misschien wel het meest bekende bedevaartsoord van Brabant. Van Nederland misschien zelfs!
En het komt dan ook al gauw voor in mijn rijtje van Lourdes, Fatima, Kevelaer, Banneux, Beauraing… en ga maar door.
Een beetje Peellands chauvinisme helpt mij natuurlijk de kop boven de turf uit te steken.

Van na de meimaand in 1951

Ik was nog maar zes turven hoog toen mijn moeder het mij vertelde van ‘als ik een meisje geweest was’.

Mijn moeder was heel erg gelovig en dolblij met mijn voortreffelijke, twee jaar durende carrière als misdienaar in het met een mariazweem omhangen bedevaartsoord.
‘Als ik een meisje was geweest...’, dan zou ik Maria geheten hebben.
Dat was haar grote en diepe wens, waarvan ze hoopte dat die in de meimaand van 1951, de Mariamaand bij uitstek, in vervulling zou gaan.
Heláás! Maar nee, dit is niet het juiste woord. Integendeel! Dat is juist!
Op Hemelvaartsdag drie mei 1951 werd er een jóngetje geboren. Ik! En daarbij paste de naam Maria niet helemaal, maar toch...
Tijdens mijn doop in de Handelse O.L. Vrouwekerk, een dag later, werd de naam Maria toch gekoppeld aan mijn overige twee doopnamen: Petrus, naar mijn vader Piet, en Franciscus, naar... Ik heb er mijn ouders in mijn herinnering nooit naar gevraagd.
Maar geheel tegen de gewoonte van die tijd in, werd de naam Maria daar precies tussenin gezet en niet volgens goed gebruik als laatste naam toegevoegd.

Petrus Maria Franciscus van Hout kreeg dit verhaal te horen toen hij een ‘menneke’ was van ongeveer zes turven groot.
En volgens de overlevering via mijn grote zus heb ik toen tegen mijn moeder gezegd: 
‘Och mam, dè gif niks. As ik grôwt ben latter, dan zörg ik zéluf wel vur un Maria!’

Op zondag 6 mei 1973 kwam Maria in de rest van mijn leven...

Tot wèrus en blijf gezond hoor!
Peter