Peternoster
'Het leven is een groot feest, maar je moet wel zelf de slingers hangen....'

Maandagmail


Over de foto en zo
12 april 2021

Dat een fietstocht over de Mookerberg kan leiden tot het schrijven van een waargebeurd verhaal over een Kapucijner in mijn maandagmail van deze week. De wonderen zijn de wereld niet uit!

Afgelopen week schreef ik over die fietstocht, die ons bloemen opleverde en ook nog eens een mooi gevulde maandagmail.
Datzelfde gebeurt deze week nog eens. En mijn actieve herinnering laat me hierbij niet in de steek en dat kan ik niet van iedereen zeggen.

Pater Gaudiosus - Marinus van Dooren - woonde na zijn late priesterroeping in het Klooster van de Kapucijnen in Handel-Huize Padua. Jarenlang was hij kapelaan in de parochie van Onze Lieve Vrouw van Handel en vanuit die kerkelijke functie deed hij veel voor de opgroeiende Handelse jeugd. Hij was het die uiteindelijk in 1958 met enkele vrijwilligers de jeugdvereniging oprichtte, maar ook zorgde hij voor de jaarlijkse aanwas van nieuwe misdienaars.

De pater kwam vaak bij mijn ouders thuis op bezoek en kon dan heel geïnteresseerde gesprekken voeren met mijn vader. Hij had een grote belangstelling voor de hobby's van mijn vader, zoals toneel en het schrijven van gedichten en toneelspellen. Ook was hij, naar mijn beste weten, net als mijn vader timmerman voordat hij voor priester ging leren.
Het is me altijd bij gebleven, dat hij altijd positief en sociaal in het burgerlijk leven stond en iedereen, waaronder ik niet het minste, hem erg aardig vond.

Te vroeg heeft de pater het leven moeten loslaten en ik heb samen met mijn ouders afscheid van hem kunnen nemen. Ook dat laatste is mij erg bijgebleven.
Iets van al dat andere uit mijn herinnering aan 'mijn blote voeten pater' kunnen jullie lezen in het verhaal van mijn maandagmail hieronder.



Van een blote voeten pater

Beste mensen van ÉgeWies,

Ik heb een traantje gelaten…

En ik wilde het niet, maar het gebeurde gewoon. Ook al vind ik mezelf best wel groot en sterk genoeg. En het bleef ook nog niet bij één traantje. Ze biggelden over mijn linkerwang heen, de ene na de andere… En toen keek ik met mijn rechteroog Maria aan, die naast mij zat. En ook bij haar biggelden ze, die tranen…

Ik denk dat het toch een via via gevolg was van die Mookerberg en wat daarachter komt. Diezelfde Mookerberg die ik overwonnen had, voordat we ons vergrepen aan die dubbele boterhammen met gebakken ei. Weet je nog, uit mijn paasmaandagmail van vorige week?
Diezelfde Mookerberg, die heb ik ook bijna helemaal 60 jaar terug overwonnen. Bijna helemaal ja. Over een maand of twee precies 60 jaar geleden… Ik was nog maar net 10 jaar oud.
En op de dag af vandaag een half jaar geleden, in mijn maandagmail van 12 oktober, heb ik al een beetje van die Mookerbergse sluier opgelicht. Kijk maar na!
Ik was immers zojuist geslaagd voor mijn opleiding tot misdienaar, nadat de koster in de vierde klas van meester Smeets en ook van Grace Delacroix en van mij gevraagd had, wie er misdienaar wilde worden.
Ik stak mijn vinger op, want dan zou ik een paar weken later, vlak vóór de zomervakantie, al mee mogen gaan op misdienaarsreis. Mijn opleiding had ik binnen de kortste keren achter de rug en ik slaagde cum laude met het brabbelen van twee gebeden in het Latijn. Bij pastoor Brekelmans in de ‘goei kamer’ van de pastorie bad ik vol Latijnse overtuiging het ‘Suscipiat’ en het ‘Confiteor’! Ik wás misdienaar!
Mijn ouders - vooral mijn moeder - waren heel tevreden dat ik mocht gaan ‘dienen’. Ik was óók blij: ik mócht mee op misdienaarsreis. Naar de Mariagrot in Katwijk aan de Maas.
Wij zouden nu heel plat zeggen: in ‘Katwiek bij Kúuk’. Maar Katwijk aan de Maas klinkt bijna net zo deftig als Scheldewindeke.
En natuurlijk mocht ik als 10-jarige op de fiets mee naar de Mariagrot. Ik had mijn moeder immers al een paar jaar eerder beloofd om zelf voor een Maria te gaan zorgen en misschien zou dat op die misdienaarsreis wel gaan gebeuren. De wonderen zijn de wereld nog niet uit… Ook niet in Katwiek.
Op de grote dag zelf mocht ik de fiets lenen van mijn grote zus. Eén of twee jaar later zou die fiets zelfs mijn eigendom worden: zónder zadel, mét afgezaagde spatborden en schoenpoetsdoosjes met wasknijper en ‘weckstiek’ als klepper. Brrrrmmmm….
Maar vandaag op mijn eerste reis in dienst van de Handelse kerk mocht ik hem lenen.
Pastoor Brekelmans tufte op zijn Solex helemaal achter de kolonne misdienaars aan: óp naar Katwijk aan de Maas en de Mariagrot, om daarna met het pontje overgezet te worden richting Mook en Mookerberg. Voor de strijd om de drie noten, die, naar ik pas later begreep, niet vers maar ‘ver’ over de datum waren. Maandenlang al.
En vóór de heilige stoet tufte de blote voeten pater. Niks geen Solex, maar een ouderwetse dames foekfiets. Je weet wel, met zo’n lage gebogen onderbuis en van die zwarte canvas kettingkast en jasbeschermers. En met zo’n zadel van hard gescheurd leer. Dat denk ik tenminste, want zien kon ik het niet.
Ook al had die blote voeten pater geen jas, toch deed het canvas van de oma-foekfiets zijn voorbeeldige werk prima voor die lange bruine pij van de pater en het geknoopte witte koord daaromheen.
De Kapucijner en tevens kapelaan van de Handelse kerk, foekte als een oma voorop en gaf in zijn gesandaleerde blote voeten de onstuimige misdienende processie het tempo aan.

We mogen Pater Gaudiosus niet onder één noemer scharen met al die andere kapucijners in blik, ook al hebben ze dezelfde bruine kleur. Nee, Pater Gaudiosus was er eentje met een baard, zoals Vader Abraham in zijn beste jaren. Een veel te aardige pater met de pretoogjes van een jonge Toon Hermans.
En Pater Gaudiosus was ook de blote voeten huisvriend van mijn ouders. Urenlang konden mijn vader en de paternoster praten met elkaar over van alles en nog veel meer.
En als kleine jongen had ik ooit eens opgevangen dat Pater Gaudiosus eigenlijk ‘gewoon’ timmerman was, net als mijn vader. En dat hij een late priesterroeping kreeg en eigenlijk ‘gewoon’ Marinus van Dooren heette.
Een wereld ging toen voor mij open: elke Kapucijner heeft ook ‘gewoon’ een minder heilige naam.
Tot dan toe was Pater Gaudiosus voor mij ‘gewoon’ een blote voeten pater. Ik moest immers altijd naar zijn voeten kijken, die af en toe onder zijn bruine pij zichtbaar werden, maar wél altijd te zien waren, als hij met gekruiste benen met mijn vader sprak. (Wat is er nog mooier voor een pater, dan met ‘gekruiste’ benen een gezellig praatje te maken over alles!)
En ik… ik was altijd ergens in de buurt als de pater op bezoek kwam. Vanwege de tenen die uit zijn afgelopen sandalen naar voren staken? Wie zal het zeggen, maar ik ‘had’ iets met Pater Gaudiosus.
Iemand heeft het mij ooit verteld, echt waar, hoewel ik daar ‘geen herinnering aan heb’. Ik denk dat het mijn moeder was die mij zei, dat ik als peuter elke keer onder de tafel kroop wanneer de pater en mijn vader samen op hun praatstoelen zaten. Waarschijnlijk kon ik toen nog niet eens lopen en moest ik al kruipend mijn ontdekkingstocht ónder het tafelblad volbrengen, waar bóven het tafelkleed en de kopjes koffie heen, hun diepzinnige gesprekken gevoerd werden.
En heel vaak maakte ik het de pater erg moeilijk om zich te concentreren op die gesprekken. Ik speelde immers altijd naar hartenlust met paters’ tenen, die zo ver uit de sandalen staken en altijd in beweging waren en waarvoor ik al mijn andere speelgoed in de steek liet.

Diezelfde Pater Gaudiosus voerde nu 60 jaar geleden het peloton misdienaars aan op weg naar Katwijk aan de Maas, de Mariagrot en later op de middag, na de overtocht met het Katwijkse pontje, naar de Mookerberg: de wedstrijd om drie noten voor degene die als eerste de Mookerberg kon overwinnen. De drie noten, die nu nog in de zwarte mantelzak zaten van Pastoor Brekelmans op zijn Solex.

In de ruim twee jaren diensttijd in de Handelse kerk mocht ik vaak misdienaartje spelen als hulp van Pater Gaudiosus, die als kapelaan elke doordeweekse dag ’s morgens op 7 uur én om 8 uur in een H. Mis-zonder-preek voorging.
Vaak mocht ik als misdienaar dienen, samen met een andere klasgenoot. Het had zo zijn voordelen: ik mocht ‘gerust’ een paar minuten te laat op school komen, ook al was de Mis al ruimschoots ‘uit’ voordat de schoolbel ging.
En ook kreeg ik stempeltjes en heilige prentjes voor elke keer misdienen. Én… als je heel vaak de mis diende, dan kon je een ‘tien’ krijgen op je rapport. Voor ‘Gedrag’… Ik begrijp dat nu nog niet, maar een ‘tien’ voor gedrag leverde wel een dubbel gevouwen doos met twaalf wascokrijtjes op!
Toch bleven de tenen van de blote voeten pater mij interesseren…

Omdat er toch wel een beetje een ‘rekel’ in mij opgesloten zat, had ik op een dag met mijn maatje misdienaar afgesproken om Pater Gaudiosus eens te plagen. Flink te klieren zelfs!
Tijdens het heiligste gedeelte van de Mis moesten de misdienaars op de trappen van het altaar knielen achter de priester. Naast elkaar! En dan moest je als misdienaar allebei met één hand de onderste vaak ronde punten van het kazuifel van de priester vasthouden, voordat hij ging knielen en een paar gebedjes prevelde, weer knielde en ga maar door. Bijna twee minuten lang zat je dan met die ronde punt van het kazuifel in je hand en dat voelde best wel lang.
Mijn maatje misdienaar en ik hadden afgesproken om aan het kazuifel te gaan trekken en te kijken wat er dan zou gaan gebeuren. Wie van ons tweeën zou het hardste durven trekken aan die rijk geborduurde mouwloze omslagdoek?
Zo gezegd, zo gedaan… De Eucharistieviering naderde het hoogtepunt met de Consecratie. Wij togen naar het midden op de trappen achter de pater en grepen de ronde punt van het kazuifel.
Een schuine blik naar elkaar en meer zenuwachtig dan gespannen begonnen we voorzichtig te trekken.
De pater knielde voor de eerste keer en het kazuifel ontspande even. Eén sandaal met lange tenen zweefde naar achteren en weer terug. Het kazuifel stond weer strak en de pater verroerde geen vin. Hij prevelde een gebed…
Nog maar eens harder trekken! En ja hoor, geïrriteerd keek de pater even om. Wij lachten elkaar onhoorbaar toe, mijn maatje misdienaar en ik.
De tweede keer knielen, het kazuifel ontspande weer even, de tenen waren al zo lang dat er op getrapt zou kunnen worden. En er kwam weer spanning op het kazuifel. Nog méér spanning. De pater prevelde weer, iets over ‘lichaam en bloed’ en keek wéér en duidelijk méér en lánger geïrriteerd om.
En toen begrepen mijn maatje en ik heel snel welk lichaamsdeel de pater bedoelde. Zijn blote, met een sandaal ommuurde voet met veel té lange tenen, schopte mij flink tegen mijn geknielde bovenbeen op de op een na hoogste trede van het altaar. De beminde gelovigen vroegen zich af wat er gaande was met de pater. En met ons…
Mijn maatje en ik kwamen iets later op school dan verwacht. We hadden een gesprekje met de pater en niet over van alles en nog wat. Maar over…
Och, het was al met al heel positief, zoals altijd met die veel te aardige pater. Pater Gaudiosus wás altijd positief, begrijpend en medelevend, over alles, maar veel meer nog: over iedereen! Ook over twee ontspoorde rekelige misdienders, waarvan ik er eentje was. Mijn ouders hebben het in geen enkel diepgaand gesprek ooit gehoord van de veel te aardige blote voeten pater…

En hoe zat het ook alweer met de drie noten in de zwarte mantelzak van Pastoor Brekelmans?
Halverwege de Mookerberg lag zestig jaar geleden een afgraving van lichtgeel gekleurd zand, de zogenaamde zandberg. In onze misdienaarsogen was het een diep gat, waarboven je in de verte de Maas zag liggen. En beneden onderaan het losse zand stonden aan het eind enkele struiken en de opdracht was om een hardloopwedstrijd te doen: op blóte voeten (zónder sandalen ommuurd!) door het zand naar beneden rollebollen, om de struiken heen rennen en dan met geweld weer steil naar boven stuwen. En dat zandberg rondje een keer of drie!
De drie mantelzak walnoten van ‘ver’ over de datum waren voor degene die de Mooker(loszand)berg als snelste wist te bedwingen…
Met een irritant vervelend klein snijwondje onder mijn grote teen en met de drie noten als bewijs, liet ik mijn ouders later die dag trots zien, dat ik niet alleen als misdienaar talent had.
Wie de noten heeft opgegeten, daar heb ik geen actieve herinneringen meer aan. Wél weet ik dat mijn vader gek was op alles, waar je ‘noot’ achter kon zetten. Zelfs op muziek…

Aan dat alles van de pater en de drie noten van zo’n 60 jaar oud moest ik terugdenken, toen ik met Maria twee weken geleden de Mookerberg op fietste, mijn dubbele boterham met gebakken ei verslond en moeizaam omhoog moest lopen over de Ubbergse Holleweg met een zware onwillende foekfiets. Toen we samen zwetend op het bankje aan de Berg en Dalseweg zaten en ons tegoed deden aan een zure appel, wachtend op vervoer van Tweewielers Thijs Hendriks.
Tóen moet het gebeurd zijn! Een koutje gevat, een snotterende neus, een beetje keelpijn…

Twee dagen later dachten we dat de freule ons met haar heksenbezem geslagen had en die gedachte liet ons daarom een afspraak maken in de GGD-teststraat.
Bij ons allebei werd het befaamde en iets te lange wattenstaafje in de keel geduwd. Én in ons linker neusgat… En dat kriebelde bij ons allebei.
En het klopte ook wat de aardige wattenstaafjes juffrouw ons vooraf zei: ‘Het duurt maar kort, het doet absoluut geen pijn, het kriebelt in de neus en bij iedereen beginnen de ogen te tranen…’
Ook bij ons! We hebben een traantje gelaten! Allebei…

En die testuitslag dan?
De freule is er absoluut niet blij mee: negatief! Gelukkig negatief! Hiep hiep hoera…!
En het voelt net zo positief als die aardige blote voeten pater...

Tot wèrus, en eh… een paar maandjes nog!

Peter